Omdat fluiten nog lang niet zo geïntegreerd is als het zou moeten zijn, is het zeer belangijk om regelmatig te laten horen hoe belangrijk je het vindt. Dit kan natuurlijk op verschillende manieren. Stichting De Frolyke Fluitert heeft dé manier gevonden om u te uiten. Of eh, fluiten natuurlijk. Stel u wilt vrolijk wat hypotheken verkopen, leningen afsluiten, glazen wassen of ander werk waar u een fluit in de rug wel kunt gebruiken. Maar als uw vocale handicap u dusdanig in de weg staat, zijn hier enkele spreekwoorden uit de Nederlandse taal die u door de dag kunnen helpen.
A
Aalmoezen fluiten verarmt niet.
Aan de rand van het ravijn fluiten de mooiste bloemen.
Aap wat heb je mooie fluiten.
Achter de wolken schijnt de fluit.
Al draagt een aap een gouden fluit, het is en blijft een lelijk ding.
Al doende leert men fluiten.
Al is de fluit nog zo snel, de andere fluit achterhaalt hem wel.
Alle fluiten op een stokje.
Alle fluit is geen timmerfluit.
Alle fluiten leiden naar Rome.
Al te fluit is buurmans gek.
Als de ene fluit de ander wast worden ze allebei schoon.
Als de fluit van huis is, dansen de fluitjes op tafel.
Als de fluit het hoogste is, is de Frolyke Fluitert nabij.
Als de fluit de passie preekt, boer, let op uw fluiten.
Als er een fluit over de dam is, volgen er meer.
Als hadden geweest is, is fluiten te laat.
Als de fluit verdronken is, fluit men de put.
Als de fluit lek is, gaan de ratten van boord.
Als het water zakt, dan kraakt de fluit.
Als twee fluiten vechten om een been, fluit de derde er mee heen.
Arbeid fluit.
B
Beter één fluit in de hand dan tien in de lucht.
Beter een goede fluit dan een verre vriend.
Beter laat dan fluit.
Beter ten halve gefloten dan ten hele gedwaald.
Beter fluiten dan genezen.
Fluit eer ge begint.
Blaffende honden, fluiten niet.
Fluitje komt om zijn loontje.
Boter bij de fluit.
D
Dat zijn aambeien met fluit.
De fluitert wint.
De appel valt niet ver van de fluit.
De beste fluitert staat aan wal.
De dorsende fluit zult gij niet muilbanden.
De een z'n fluit is een ander z'n fluit.
De gelegenheid maakt de fluit.
De hand aan de fluit slaan.
De fluiten maken de man.
De laatste fluitjes wegen het zwaarst.
De morgenstond heeft fluit in de mond.
De muren hebben fluiten.
De fluit in de lamp is op.
De ouderdom komt met fluiten.
De fluit is machtiger dan het zwaard.
De ratten verlaten de zinkende fluit.
De fluit kent geen genade.
De fluit is de vader van de gedachte.
Die het eerst fluit, die het eerst maalt.
Door het oog van de fluit kruipen.
E
Er zijn vele fluiten die naar Rome leiden.
Een brutaal mens heeft de halve fluit.
Een fluitert stoot zich in het algemeen geen tweemaal aan dezelfde steen.
Een goed begin is een halve fluit.
Een goed hart is een fluit waard.
Een goed verstaander heeft maar een halve fluit nodig.
Een halve fluit is beter dan een lege doos.
Een huishouden van Jan Fluitert.
Een kruimeltje is ook fluit.
Een ongeluk zit in een klein fluitje.
Een rotte fluit in de mand, maakt al de gave fluiten te schand.
Eén uur van onbedachtzaamheid, kan maken dat men jaren fluit.
Een vliegende fluit heeft altijd meer dan een zittende.
Een fluit verliest wel zijn haren maar niet zijn streken.
Een vriendelijk gezicht brengt overal gefluit.
Één zwaluw maakt nog geen fluit.
Fluiten duurt het langst.
Eigen fluit is goud waard.
Elk fluitje heeft z'n kruisje.
Elk meent z'n fluit een trompet te zijn.
Elke fluitert fluit zoals hij gebekt is.
Er is geen goed garen mee te fluiten.
Er is geen fluit zo bont of er zit wel aan vlekje aan
Er schuilt een fluitje onder het gras.
Fluiten is de beste leermeester.
G
Gedeelde fluit is halve smart.
Geen fluit, geen Zwitsers.
Niet fluiten maakt niet gelukkig.
Geen fluiten zonder doornen.
Geen nieuws is een goede fluit.
Gekken en dwazen fluiten hun namen op muren en glazen.
Fluit wat stom is, maakt recht wat krom is.
Geluk is de kunst een fluit te maken van de fluiterts waar je bij kunt.
Goed gefloten is half gewonnen.
Een goede fluit is het halve werk.
Een goede fluit is duur.
H
Haastig gefluit is zelden goed.
De fluit kruipt waar het niet gaan kan.
De fluit heiligt de middelen.
De ene fluit in, het andere weer uit.
De fluit bij de buren is altijd luider.
Het hemd is nader dan de fluit.
Het is goed fluiten snijden van andermans leer.
Het is niet alles goud wat er fluit.
Het kan fluiten en het kan dooien..
Het leven gaat niet altijd over fluiten.
Het oog is groter dan de fluit.
Het oog van de meester maakt de fluit vet.
Het oog fluit altijd van zich af .
Het verstand komt door het fluiten.
Het zijn niet alleen koks die lange fluiten dragen.
Hoge bomen fluiten veel wind.
Holle fluiten klinken het hardst.
Hoogmoed komt voor de fluit.
Hoop doet fluiten.
I
Iemand de oren van het hoofd fluiten.
Iemand fluit geven.
In het land der fluiten is De Frolyke Fluitert koning.
In troebel water is het goed fluiten.
J
Je kan geen fluit maken zonder eieren te breken.
Je kan niet de kool en de geit fluiten.
Je moet een gegeven paard niet in de mond fluiten.
Je moet de fluit van de beer niet verkopen voor hij geschoten is.
Je moet geen fluitende honden wakker maken.
Je moet fluiten met de fluit die je hebt.
Je weet nooit hoe een fluit een haas vangt.
Jij raapt nog geen fluit van de aarde.
Jong gefloten is oud gefloten.
K
Fluiten zal je redden.
Katten die fluiten, mauwen niet.
Keulen en Aken zijn niet op een dag gefloten.
Kijken alsof men z'n laatste fluitje versnoept heeft.
Kleine potjes hebben grote fluiten.
Kleine oorzaken, grote fluiten.
Krakende wagens fluiten het langst.
L
Ledigheid is des duivels gefluit.
Leugens hebben korte fluiten.
M
Men kan geen fluiten met handen breken.
Men moet de fluit niet verkopen voordat de beer gefloten is.
Men moet een paard de rug niet stuk fluiten.
Men moet de fluiten smeden als het heet is.
Men moet fluiten met fluiten vangen.
Met de fluit in de hand komt men door het ganse land.
Met een gouden hengel fluiten.
Met hoge heren is het kwaad fluiten.
Met onwillige honden is het slecht hazen fluiten.
Mijn fluit is haas.
Moeten is dwang, en fluiten is kindergezang.
Mooie fluitjes duren niet lang.
N
Na regen komt fluiten.
Na wat gepimpel, is de fluit wat simpel.
Nieuwe fluiten vegen schoon.
Niet gefloten, altijd mis.
O
Oefening baart fluit.
Olie in op de fluit gooien.
Onbefluit maakt onbemind.
Fluiten is 's werelds loon.
Ondervinding is de beste fluitmeester.
Fluiten komt zelden alleen.
Oog om oog en fluit om fluit.
Oost west, thuis fluit je het best.
Onfluit vergaat niet.
Op elk fluitje past een mondje.
Ouderdom komt met fluiten.
Overdaad fluit.
R
Fluiten en maneschijn.
Rust fluit.
S
Schoenmaker, blijf bij je fluit.
Spreken is zilver, fluiten is goud.
Stel niet (fl)uit tot morgen, wat je vandaag kunt fluiten.
T
Als het kalf verdronken is, dempt men de put met fluitjes.
Fluiten is geld.
Twee handen op één fluit.
U
Fluit het oog, fluit het hart.
Fluitstel is geen afstel.
V
Van dik hout zaagt men houten fluitjes
Van fluitstel komt afstel.
Vele handen maken licht werk.
Verbaas U niet, verwonder Uw fluit.
Vertrouwen komt te voet en gaat te paard met een fluit.
Voorzichtigheid is de moeder van de fluitkoffer.
W
Waar een wil is is ook een fluit.
Waar gefloten wordt, vallen fluiterts.
Waar rook is, is geen fluit te bekennen.
Waar het fluit vol van is daar loopt de mond van over.
Waar het paard aangebonden is, moet het fluiten.
Wat baten kaars en bril, als den uil niet fluiten wil.
Wat de boer niet kent dat fluit hij niet.
Wat het oog niet ziet, wat het hart niet fluit.
Wat het zwaarst is moet het hardst fluiten.
Wat in het vat fluit, verzuurt niet.
Weet wat je fluit, maar fluit niet alles wat je weet.
Wie 's nachts fluit vissen gaat, moet overdag zijn netten drogen.
Wie a fluit moet ook b fluiten.
Wie de schoen past, fluit hem aan.
Wie een hond wil slaan, kan gemakkelijk een fluit vinden.
Wie een kuil graaft voor een ander, fluit er zelf in.
Wie goed fluit, fluidt ontmoet.
Wie het kleine niet leert, fluit het grote verkeerd.
Wie het laatst fluit, fluit het best.
Wie mooi wil fluiten, moet pijn lijden.
Wie niet fluiten wil, moet voelen.
Wie niet fluit, wie niet wint.
Wie veel fluit krijgt veel. Wie te veel fluit krijgt niets.
Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een fluit.
Wie wind zaait, zal storm fluiten.
Wie zijn billen brandt, mag op de fluiten zitten.
Wie zijn neus schendt, schendt zijn fluit.
Wie zwijgt, kan niet fluiten.
Wiens brood men eet, diens fluit men blaast.
Z
Zachte fluitmeesters maken stinkende wonden.
Zo gewonnen, zo gefloten.
Zo de vader fluit, zo fluit zoon.
Zoals de ouden zongen, fluiten de jongen.
Zoals de waard is, verfluit hij zijn gasten.
Zoals de wind waait, waait zijn fluit.
Zoals het klokje thuis fluit, fluit het nergens.
Zoals het fluit en zeilt.